Bij het spoor (2)
Het is nu bijna een jaar geleden dat De Schrijver Antoni trof in de tunnel op het station. De gebeurtenis staat als een hoekige en onontcijferbare hixebroglyfe in zijn geheugen gebeiteld.
Na het zwijgen was er niet veel noemenswaardigs meer gebeurd tussen de twee individuen die stiekem een Twee-Eenheid waren. De ongemakkelijke stilte eindigde met een sisser; Antoni wendde zich af van De Schrijver en was begonnen tegen de muur van de tunnel te pissen. De Schrijver walgde ervan, voelde zich diep beledigd, wist zich nu helemaal geen houding meer te geven, besloot daarom maar door te lopen naar het perron. Zijn gedachten waren al snel weer van onderwerp veranderd: stond zijn fiets wel op slot? De conclusie luidde ‘ja’.
Er is nu bijna een jaar verstreken en De Schrijver zit op zijn kamer wijn te drinken. Soms denkt hij terug aan de tijd dat hij nog aan Antoni dacht, zo ook nu hij wijn drinkt. De vele geluiden, de gevoelens, de verhalen, de gedachten… Alles resoneerde nog en niets dat het kon stoppen, zelfs wijn niet. Maar De Schrijver was verder gegaan en Antoni was blijven steken. Sterker nog: Antoni was een landloper die in tunnels van stations pist geworden. De Schrijver voelt zich neerslachtig, dat is zeker. Het gevoel deed hem denken aan de tijd dat Antoni nog wel dicht bij hem stond. Zijn denken maakte hem aan het twijfelen. Staat Antoni nog echt wel in die tunnel tegen de muur te pissen? Dat is helemaal niet zeker. Weer een bezoek brengen? Een email sturen? Alles kan en niets kan kwaad. Toch?
